Dodelijke humor? Sterfdatum.nl

February 10th, 2009

Er bestaat een site waar je een naam en voornaam, geboortedatum en wat aanvullende gegevens (rokend, hoeveel alcohol, rechtshandig, etc.) kan invullen, waarna een programmaatje je sterfdatum berekent. De door mij ingevulde, gezondlevende dame van meer dan 100 jaar oud, was volgens de site al meer dan 20 jaar dood. Ze hadden zelfs een rouwadvertentie gevonden. Is dit grappig? Het is niet mijn soort humor. Doet de aanbieder van de dienst iets onrechtmatigs?

Er is wat ophef ontstaan nadat iemand na een ego-surf actie op Google geconfronteerd werd met een persoonlijke rouwadvertentie, waarbij een tellertje tot op de seconde nauwkeurig aangeeft hoe lang er nog te leven is. Ik kan me goed voorstellen dat een dergelijke advertentie, zeker als de context niet duidelijk is, nogal rauw op iemand zijn dak kan vallen. Vanuit internetrecht perspectief zijn er tenminste twee aspecten die nadere beschouwing verdienen.

In de eerste plaats, worden hier persoonsgegevens verwerkt? Daarvoor is nodig dat de informatie tot de persoon herleidbaar is. Op de site rondkijkend zijn er verschillende entries waarbij duidelijk is dat het om niet bestaande personen gaat, maar evident is dat er voornaam en achternaam combinaties zijn die te herleiden zijn, zeker in combinatie met de leeftijd op een bepaalde sterfdatum. Als mijn naam er zou staan met sterfdatum, dan kan ik deze laten verwijderen op grond van de verzetsmogelijkheid die de Wbp mij geeft. De vraag is in hoeverre de Wbp hiervoor bedoeld is. Ik weet het niet. Voor mijn gevoel niet echt.

Iets anders is de vraag naar onrechtmatigheid. Die vind ik zelf veel interessanter. Mensen kunnen het leuk vinden door een dergelijke site hun sterfdatum te laten berekenen, of dit als kado voor iemand zijn verjaardag te geven (nogmaals, mijn humor is het niet, maar er zijn ongetwijfeld genoeg andersdenkenden). In die zin voorziet de site in een behoefte. Het gaat pas verkeerd als mensen namen van anderen invoeren zonder dat de anderen hiervan weten of ze daarvan in kennis worden gesteld. Stel dat ik de namen van het complete kabinet invoer. De site berekent dan automatisch de sterfdatums en plaatst de rouwadvertenties. Wie is hier dan voor aan te spreken. Uiteraard de site, als beheerder van de informatie, die moet dit weghalen als er om verzocht wordt. Als de informatie tenminste evident onrechtmatig is. Is dat zo? Waarschijnlijk wel, de bedoeling mag ludiek zijn, het is de vraag of de ministers in kwestie de lol ervan in zien. Maar wie er onrechtmatig in de zin van art. 6:162 BW heeft gehandeld is eerder de invoerder van de informatie. Het doet in de verte denken aan peer-to-peer netwerken. Misbruikmogelijkheden zijn evident, maar degenen die verboden waar uitwisselen zijn zelf strafbaar. In de rechtspraak wordt dan lang niet altijd de aanbieder van het netwerk als strafwaardig gezien (dan wel als onrechtmatig handelend).

Arno R. Lodder

(Wereld)primeur: veroordeling wegens virtuele diefstal

October 21st, 2008

Vanmorgen vroeg (even voor 7 uur) bij BNR uitleg gegeven over de virtuele diefstal zaak waarover de rechter vanmiddag om 13.30 uitspraak deed.
Het vonnis heb ik nog niet gezien, maar op de BNR-site is te lezen dat de jongens voor virtuele diefstal veroordeeld zijn (zie inmiddels ook het vonnis)
Zondermeer terecht oordeel, maar mooi dat de rechter het aangedurfd heeft deze veroordeling uit te spreken.
Zie over virtuele diefstal mijn blog op Terra Nova, met reacties van verschillende internationale experts waaronder Greg Lastowka.
Zie ook via Jurel eerder blog over de Habbo diefstal.

Arno R. Lodder

Digitale aangifte en gestolen fietsen: gouden koppel?

August 28th, 2008

Zojuist stond de politie te verbaliseren bij de plaatselijke fietsenmaker. Die had een fiets op marktplaats.nl aangeboden. De oorspronkelijke eigenaar herkende deze en reisde helemaal uit Friesland naar Amsterdam af om met in zijn kielzog de Amsterdamse politie aangifte te doen. In het Burgerlijk Wetboek is in artikel 3:86 lid 3 BW te lezen dat de bestolene tot 3 jaar na de diefstal zijn eigendom op kan eisen. Pech voor de fietsenmaker dus, die strijkt niet de gevraagde 350 euro op. Maar hoe kwam hij aan de fiets?

Gekocht van …. de politie in Steenwijk! De fietsenmaker koopt bewust zijn fietsen niet bij de politie in Amsterdam omdat hij wil voorkomen dat kopers van hun fiets worden getrokken door oorspronkelijke eigenaars, een in Amsterdam inderdaad niet ongebruikelijk fenomeen. Maar het internet kent geen fysieke afstand, Marktplaats.nl is overal in Nederland te vinden.

De bestolene had digitale aangifte gedaan, maar blijkbaar waren de gegevens niet goed gekoppeld. De fiets had een jaar in een politiebureau gestaan en is daarna door de politie verkocht. Op http://www.fietsdiefstal.nl/ is te lezen:

“hoeveel teruggevonden fietsen zijn er nodig om je aangifte te laten doen?”

Tja, het aantal doet er niet zo toe (momenteel meer dan 1000 per week). Zolang na aangifte de gestolen fiets maar als zodanig wordt herkend.

De fietsenmaker was niet bereid de fiets aan de oorspronkelijke eigenaar mee te geven. Die had daar op zich recht op gezien bovengenoemd art. 3:86 BW. De oorspronkelijke eigenaar van de fiets kreeg een week de tijd om een en ander met de politie te regelen. Mocht de fiets na die week verkocht worden, dan kan de oorspronkelijke eigenaar niet meer bij die koper terecht. Die wordt nl. beschermd (als natuurlijke persoon die koopt bij professionele handelaar).

Ik ben benieuwd of de politie de fietsenmaker schadeloos stelt en voor welk bedrag. Waarschijnlijk het bedrag dat hij ervoor betaalde aan de politie. Redelijker zou zijn als de politie gewoon de koopprijs betaalt. En wellicht bijkomende kosten aan de bestolene, zoals zijn ritje naar Amsterdam.

Dit is een individueel geval, maar het onderstreept wel de geruchten dat er niks gebeurt met digitale aangiften. Terwijl juist door de digitale aangifte het gemakkelijker zou moeten zijn om waar dan ook in Nederland gesotelen fietsten te koppelen aan waar dan ook gevonden fietsen. Misschien een idee om gebruikers de mogelijkheid te geven om op basis van hun specificaties een zoekresultaat te geven uit de nationale database gestolen fietsen, met reguliere update. Om misbruik te voorkomen zal dan wel op een of andere wijze voor tot afgifte wordt overgegaan een uniek kenmerk moeten kunnen worden genoemd. Op termijn kan dan het aantal teruggevonden fietsen in belangrijke mate ook terugbezorgd worden, voordat deze op Marktplaats worden aangetroffen…

Arno R. Lodder

Als 49-jarige bijdragen aan het “doodpesten” van een 13-jarige. Manslaughter? Murder in the 1st or 2nd degree?

August 15th, 2008

Op myspace chatte een 13-jarige met een naar zij dacht 16-jarige jongen. In Nederland zijn er verschillende rechtszaken waarin mannen op leeftijd zich achter hun veilige anonieme computerscherm op sexuele wijze met jonge meisjes vermaakten (zie bijvoorbeeld Chat kinderporno). Zieke geesten zijn er overal. In Amerika was het geslacht dit keer vrouwelijk. De 16-jarige jongen bleek de 49-jarige buurvrouw:

“Op een zeker moment begon ze het pubermeisje met vervelende teksten te bestoken en stuurde de conversaties ook naar anderen door, wat tot kwaadaardige roddels leidde. Uiteindelijk zei Drew tegen de 13-jarige dat iedereen een hekel aan haar had en dat de wereld er zonder haar beter uit zou zien. Het meisje vertelde het hele verhaal aan haar moeder, die haar verder Myspace-gebruik verbood. Dat mondde uit in een ruzie tussen moeder en dochter waarop het meisje zichzelf van het leven beroofde.” (bron: Tweakersnet)

Het Amerikaanse openbaar ministerie dacht moord of doodslag niet te kunnen hardmaken en wil de vrouw voor hacking strafbaar stellen. De argumentatie is dat onder een valse identiteit inloggen schending van de gebruiksvoorwaarden van MySpace inhoudt. Dat is zeker het geval, maar voor hacking is dan tenminste noodzakelijk dat je inbreekt op iemand anders zijn account. Het is immers ook vrij lastig in te breken in je eigen huis. Ik gooi weliswaar mijn eigen glazen in als ik mijn voordeur-ruit breek, maar dat maakt mij nog geen inbreker (juridische finesses van diefstal met braak, huisvredebreuk, etc. laat ik voor wat het is). Net zo min kan iemand inbreken op zijn eigen account, ook al is die aangemaakt onder iemand anders naam. Zie hier voor een meer uitgebreide argumentatie vanuit het Amerikaanse recht, die gebruikt wordt in deze procedure om de rechter van de onzinnigheid van de eis te overtuigen.

De Amerikaanse strafbepalingen ken ik niet precies, maar onder Nederlands recht lijkt mij gezien de hierboven genoemde feiten dood door schuld (Manslaughter) toch vrij eenvoudig bewijsbaar. Het kan zijn dat het OM de strafmaat daarvan te laag vond, in Nederland enige tijd geleden opgekrikt van 9 maanden naar 2 jaar, maar nog altijd veel minder dan moord (1st degree) of doodslag (2nd degree).

In Nederland zou het leerstuk van voorwaardelijk kunnen worden gebruikt. Op het moment dat je een 13-jarige bestookt met vervelende teksten en met name haar toevoegt “dat iedereen een hekel aan haar had en dat de wereld er zonder haar beter uit zou zien.” lijk je toch willens en wetens de niet als ondenkbeeldig te verwaarlozen kans dat ze hier gevolg aan zal geven te nemen. Ik weet niet in hoeverre woorden in het strafrecht kunnen doden, maar anders kan uitlokking hulp bieden. Hiervoor is dan wel nodig dat het meisje niet zelf al plannen in die richting had, want de wil moet door de uitlokking zijn ontstaan.

Dit zo schrijvende merk ik dat er strafrechtelijk toch meer haken en ogen aan zitten dan op het eerste moment gedacht. Hoe het zij, hacking is volstrekt niet aan de orde en strafrechtgeleerden moeten zeker in staat zijn een passende bepaling te vinden op grond waarvan de vrouw/jongen haar verdiende straf krijgt. Naar ik begrijp is heeft het OM in de USA enkel hacking ten laste gelegd, dus zal ze haar straf waarschijnlijk ontlopen. Jammer.

Arno R. Lodder

Bestaat beslotenheid op internet? Niet op besloten Hyves volgens Rb. Assen 4 augustus 2008

August 5th, 2008

Vanmiddag (5 augustus) werd ik gebeld door een verslaggever van de Volkskrant over een zeer onlangs gewezen vonnis over smaad op internet. Zelf ben ik niet zo thuis in “internetsmaad” als bijvoorbeeld Tina van der Linden[1], maar behalve dat zij momenteel onbereikbaar is was de kwestie generiek van aard, nl. de vraag of beslotenheid op internet mogelijk is. In de Martijn-zaak

“(…) kwam de rechter niet toe aan het formuleren van criteria waaronder op internet sprake is van beslotenheid.”

Het is een boeiende vraag. De Rechtbank Assen heeft bepaald dat een besloten Hyves-profiel toch openbaar is (over openbaarheid gesproken, de uitspraak zelf is nog niet beschikbaar). In casu ging het om een vrouw die over haar ex op een besloten Hyves-profiel meldde dat ze het vervelend vond haar kind met deze pedofiel te moeten meegeven. Volgens de man werd hij sindsdien met de nek aangekeken en genoopt te verhuizen. Het is op zich verbazend dat dergelijke uitingen over een ex klakkeloos worden geloofd. Als iemand onbetrouwbaar is als het negatieve uitingen betreft, lijkt me dat wel iemand over zijn/haar ex.

Het fenomeen roddel en achterklap bestond natuurlijk al lang voor het internet. Maar het lijkt of alles op internet te vergelijken is met het schreeuwen van een zeepkist in een druk park (= openbaar), of zijn er ook stillere plekjes die lijken op een huiskamer of een wandeling met je vriend door het bos (= besloten)?

Wanneer je in een mailtje aan 5 vrienden vertelt dat je ex een pedofiel is, dan valt dit niet onder smaad (art. 261 Sr). Met “ruchtbaarheid geven” uit lid 1 van dit artikel wordt immers bedoeld “het ter kennis van het publiek brengen” (HR 22 januari 1965, NJ 1965, 131). Met zodanig ‘publiek’ is een bredere kring van betrekkelijk willekeurige derden bedoeld.

Bij openbare Hyves-profielen blijkt het etiket vrienden niet al te serieus genomen te hoeven worden, zoals ik in het openingsnummer van Tijdschrift voor Internetrecht 2008/1 opmerkte, zat een van de Hyves-vrienden van Balkenende eind vorig jaar vast wegens bedreiging van zijn vriend (lees: Balkenende) op internet.

Ik kan me voorstellen dat een zorgvuldig beheerd besloten Hyves-profiel (met hooguit enkele tientallen ECHTE vrienden en kennissen) als besloten in de zin van art. 261 Sr zou kunnen worden gekwalificeerd. Een uiting op een verjaardag kan immers ook niet als smaad worden gezien.

Het probleem met internet is dat vrijwel alle beslotenheid in beginsel bereikbaar is voor een ieder. Ook op een zorgvuldig onderhouden besloten Hyves-profiel kunnen “betrekkelijk willekeurige derden” zich melden, alleen al omdat iemand gemakkelijk op Hyves de identiteit van een ander kan aannemen.

Blijft eigenlijk alleen over individuele communicatie. Stel je bent aan het chatten met 10 ECHTE vrienden en zegt dat je ex een pedofiel is. Wat dan? Lastig, omdat ook hier geldt dat er onbedoeld een “betrekkelijk willekeurige derde” onder de 10 vrienden kan blijken te zitten.

Het lijkt me dat bij smaad je anders dan bij individuele communicatie zoals e-mail als partij bewijs moet leveren dat het bedoelde forum ECHT besloten was. Schuldig totdat je onschuld bewezen is. Het is niet anders. Spreek dus maar beter geen kwaad over anderen op internet.

Blijft over nog een ander punt. De aard van de uiting. Als er op een ‘besloten’ Hyves-profiel melding over een ex gedaan wordt, is het enkel voor degenen die van het bestaan van de voormalige relatie afwisten duidelijk wie er bedoeld wordt. Echter, behalve dat er veel informatie op internet over personen te vinden is en waarschijnlijk vrij snel achterhaald kan worden wie die ex is, is ook als dit niet mogelijk blijkt de kans niet uitgesloten dat er “betrekkelijk willekeurige derden” ook afweten van de voormalige relatie.

Zijn we monddood op internet en moeten we oppassen bij alle krabbels op Hyves en andere plekken? Niet echt. Het grondrecht “vrijheid van meningsuiting” laat betrekkelijk veel ruimte open, maar bij dergelijke persoonlijke uitingen als die over een ex kun je maar beter oppassen.

Arno R. Lodder


[1] Zie recentelijk haar bijdrage in het prachtige themanummer van Ars Aequi over Recht en Internet dat deze zomer verscheen alsmede het artikel “Bestrijd haatzaaien!” dat in Tijdschrift voor Internetrecht 2008/2 verscheen.

The answer my friend…. (e-overheid)

June 3rd, 2008

Gisteren vertelde Celine Suen (projectleider HetWaterschapshuis) tijdens een gastcollege over ICT en overheid bij het vak Recht in de Digitale Samenleving over een interessant initiatief bij de overheid genaamd Antwoord(c). Het copyright-teken, binnen het Nederlandse auteursrecht overigens zonder toegevoegde waarde, staat er enkel bij om het begrip Antwoord van wat extra cachet te voorzien. Het Antwoord-project is ontstaan na een bezoek van Burgemeester Cohen aan the Big Apple, die nogal onder de indruk was van het algemene telefoonnummer dat de gemeente New York gebruikte voor alle vragen over de overheid. Inmiddels is dit Antwoord een van de speerpunten van ICT en overheidbeleid.

Toch eens even met Amsterdam gebeld, het nummer is 14020 (geldt voor iedere stad, dus Rotterdam is 14010) met een vraag over elektronisch stemmen. Het gesprek liep ongeveer als volgt:

ARL: “Is het mogelijk met de computer te stemmen bij verkiezingen?”

Telefoniste: “Ik heb werkelijk geen idee”

ARL: “Weet u misschien of het mogelijk is via internet te stemmen?”

Telefoniste: “Daar heb ik geen informatie over gehad”

ARL: “Misschien als je in het buitenland zit?”

Telefoniste: “Even kijken, ik zie hier iets over het kiesregister en dat je iemand kan machtigen”

ARL: “OK, maar dat is dus niet via internet of met een computer”

Telefoniste: “Nee, online staat er niet bij, in mijn gegevens wordt verwezen naar www.stemmenvanuithetbuitenland.nl

ARL: “Kon dat via internet?

Telefoniste: “Oh ja, hier staat in 2004 en 2006 via internet, nog niet bekend of dit herhaald wordt, voor meer informatie www.kiezenuithetbuitenland.nl

ARL: “Dank u wel, en weet u ook of je bij gewone verkiezingen met potlood moet stemmen of dat dat met een stemcomputer kan”

Telefoniste: “Dat durf ik u niet te zeggen. Ik heb daar geen informatie over”

ARL: “OK, dank u wel”

Tja, vooralsnog kun je wel vragen, maar laten de antwoorden nog wat op zich wachten. Gelukkig is er ook een internetvariant. Het idee is dat het bij Antwoord niet uit moet maken of je belt of dat je internet raadpleegt. Ik tikte in de Antwoord-module van Amsterdam.nl. stemcomputer en kreeg het volgende zoekresultaat:

[+] Amsterdam stemt digitaal
Amsterdam neemt afscheid van het rode potlood en de stemformulieren en verwelkomt de …”
13 december 2005

Een wat oud en ongelukkig bericht. Zoals bekend heeft het kabinet recent besloten te stoppen met stemmachines. Amsterdam was al eerder overgestapt op het potlood, zo wordt ook duidelijk als in Antwoord de zoekterm stemmachine wordt ingetikt:
[+] Amsterdam stemt weer met rood potlood
De gemeente Amsterdam wacht niet langer op het besluit van het ministerie van Binnenlandse Zaken over het gebruik van de NewVote ..
15 januari 2007

Een zwaluw maakt nog geen winter, maar deze bescheiden steekproef bevestigt wat de docente gisteren hierover vertelde en de ervaring die een van de studenten had.
Het idee is goed (in lijn met de 1-loket gedachte), de uitvoering kan beter.

Arno R. Lodder

Eerste veroordeling virtuele kinderporno

March 12th, 2008

In verschillende media was vandaag het bericht te lezen dat gisteren, 11 maart 2008, voor het eerst een man voor virtuele kinderporno is veroordeeld. Mij is niet geheel duidelijk of de zaak ruim een maand stil is gehouden, aannemelijker lijkt dat de datering van de uitspraak op 4 februari 2008 (LJN: BC3225, Rechtbank ’s-Hertogenbosch) niet klopt.

Al sinds enkele jaren is virtuele kinderporno strafbaar. In art. 240b Sr is het bestanddeel ‘schijnbaar’ opgenomen, ter uitvoering van de verplichtingen die Nederland is aangegaan middels het Cybercrimeverdrag. De aanwijzing Kinderpornografie van 30 juli 2007 (Stcrt. 2007, 162) geeft als criterium: “realistische, niet van echt te onderscheiden afbeeldingen.” In casu betrof het een filmpje waarin een als 8 jaar overkomend meisje een man bevredigt. De toevoeging “niet van echt te onderscheiden” maakt de bewijslast zwaarder dan op grond van het Cybercrimeverdrag noodzakelijk is, waarin enkel gesproken wordt van “realistic images”.[1] In deze zaak geeft de rechtbank aan

“weliswaar voor volwassenen van echt is te onderscheiden, maar niet voor het gemiddelde kind.”

En vervolgt

“In verband met dat laatste merkt de rechtbank op dat dit naar haar oordeel in het onderhavige geval de criteriumfiguur moet zijn waartegen wordt getoetst, zulks temeer nu de maker van het filmpje blijkens de zo-even weergegeven titel en aankondiging, de cursusachtig aandoende weergave van manuele bevrediging en de vrolijke omlijsting op die doelgroep mikt.”

De vraag is of de Rechtbank in wezen wel veroordeelt voor de virtuele beelden. Ik krijg de indruk dat hier eigenlijk minder de beelden op zich bestraft worden dan hetgeen met die beelden beoogd wordt. In dit geval wil de veroordeelde man kinderen duidelijk maken dat het gewoon/spannend/etc. is om seks te hebben met volwassenen. Hij lokt als het ware de minderjarige uit (niet uitlokking in strafrechtelijk zin, uiteraard).

Stel nu dat een vergelijkbaar filmpje wordt gemaakt door een groep pedofielen die het dan vervolgens in “huiselijke kring” bekijken. Ik zou dan niet voor bestraffing zijn, ze vallen dan nl. verder niemand lastig. Als ze vervolgens het filmpje op Youtube zetten wordt het een ander verhaal. Op zichzelf zou het overigens prachtig zijn als kinderporno zich zou gaan beperken tot de virtuele variant, maar uit de opsporingspraktijk is helaas bekend dat de echte ‘liefhebbers’ enkel genoegen nemen met beelden waarbij sprake is van daadwerkelijk misbruikte minderjarigen.

De uitleg die de Rechtbank uit de bovengenoemde Aanwijzing Kinderpornografie aanhaalt, maakt de waterscheiding zoals hierboven gemaakt overigens mogelijk. Grondslag voor bestraffing is nl.

“Bescherming tegen gedrag dat kan worden gebruikt om kinderen aan te moedigen of te verleiden om deel te nemen aan seksueel gedrag en gedrag dat deel kan gaan uitmaken van een subcultuur die seksueel misbruik van kinderen bevordert.”

Dit in ogenschouw nemend is de vraag of “het van echt te onderscheiden” zo doorslaggevend moet zijn. Veeleer lijkt de context van belang (zo ook hier), hoewel deze niet als zodanig in art. 240b Sr tot uitdrukking komt. Wellicht is het op termijn noodzakelijk andere strafbepalingen in te voeren.


[1] Met dank aan Rik Kaspersen die uiteraard als geen ander de verhouding tussen de verschillende bepalingen kent. Momenteel werken wij mee aan een WODC-rapport inzake Kinderporno en filtering.

Terra Nova Blogs

February 8th, 2008

In februari 2008 zal heb ik twee blogs geschreven voor Terra Nova, een Engelstalige blog over virtuele werelden. Zie “Surveillance: whose territory is a virtual world anyway?” en “Why not qualify the taking away of objects as theft?”

Rechter vergeet in te gaan op de nalatigheid Otto bij niet wijzigen foutieve prijs

January 23rd, 2008

In Canada bood een vliegtuigmaatschappij via haar website tickets naar Hawaii aan voor minder dan 100 dollar, waar deze normaal bijna het tienvoudige kosten. Wat deed de luchtvaartmaatschappij? De tickets leveren voor de (veel te) lage prijs!

Bol.com overkwam in de lente van 2007 hetzelfde, toen een camera van 350 euro voor minder dan 30 euro werd aangeboden, waarbij bovendien precies werd aangegeven dat dit een korting van 92% betrof. Het bleek lastig de prijs snel te wijzigen, maar na een dag of wat was de juiste prijs weer online. In de tussentijd werd aangegeven dat de camera niet leverbaar was, een handeling die blijkbaar minder lastig is dan de prijs veranderen. Aan de consumenten die dachten de camera goedkoop gekocht te hebben gaf Bol.com meen ik een tegoedbon. Ook deed Bol.com een beroep op haar algemene voorwaarden die aangeven dat hun aanbod geen aanbod is maar slechts een uitnodiging tot het doen van een aanbod. Nu mag je van alles bepalen in algemene voorwoorden, maar niet dat een juridisch geldig aanbod (voldoende bepaald en geen ruimte voor onderhandelen) GEEN aanbod is.

Tijdens een college voor informaticastudenten begreep ik dat het soms enige tijd kan duren voordat een prijswijziging is doorgevoerd, maar nooit meer dan een of twee dagen. Hier had de rechter aandacht aan moeten besteden in de OTTO-zaak (Hof ’s-Hertogenbosch 22 januari 2008, LJN BC2420), maar doet dit niet. Ik begrijp dat er sprake is van oneigenlijke dwaling als je een LCD TV veel te goedkoop aanbiedt. Verklaring en wil stemmen dan niet overeen, althans gedurende enige tijd. Na een week vergaat wat mij betreft dit beroep op oneigenlijke dwaling. Zeker als je na 6 dagen uitgebreid in een nationale radio-uitzending als bedrijf aangeeft dat er een foutieve prijs op de site staat en dan pas aan het eind van diezelfde dag (vlak voor 12 uur ’s avonds en duizenden bestelde TVs later). Hier gaat de rechter helaas helemaal aan voorbij. Als we ervan uitgaan dat OTTO op enig moment (bijvoorbeeld na een dag of 3, of vanaf de radio-uitzending) zich niet meer kan beroepen op oneigenlijke dwaling, dan is er vanaf dat moment een geldig aanbod. Je kunt niet met droge ogen beweren dat het 6 dagen duurt om een prijs te wijzigen, dat is technisch en praktisch gezien geheel buiten de orde en objectief gezien wilde je om de een of andere reden dit goedkopere aanbod. Het kan natuurlijk allemaal subjectieve knulligheid zijn, maar ook die kun je een professioneel bedrijf aanrekenen. Interessant aan deze redenering is dat hierdoor het er niet meer toe doet of de consument al dan niet te goeder trouw was, er wordt immers een geldig aanbod aanvaard. Praktisch gezien is het wat vreemd dat degenen die echt zeker wisten dat de prijs niet klopten de TV daarvoor krijgen. Hoe het zij, door de Hoge Raad of in de bodemprocedure moet op dit aspect worden ingegaan.

Tot slot, de elektronische bevestiging heeft geen constitutieve waarde, maar is een technische bevestiging van het ontvangen aanbod dat er enkel op gericht is aan de afnemer duidelijk te maken dat het aanbod ontvangen is. De betekenis die de consumenten er in deze zaak aan hechten is er niet aan te ontlenen. De overeenkomst is dan immers al tot stand gekomen (zie over Europese discussie naar aanleiding van moment van totstandkomen online overeenkomsten de bespreking van art. 11 ecommerce richtlijn). Wat juridisch gezien wel gevolgen heeft is het niet zo spoedig mogelijk bevestigen. Zo lang niet bevestigd is kan ontbonden worden. Zie over deze zaak ook Menno Weij en Arnoud Engelfriet.

Bestaat de vrije wil wel?

January 21st, 2008

In radioprogramma Desmetlive van 18 januari 2008 was een discussie met Max van der Linden, die voor het Rathenau instituut een rapport (Breinbeleid) schreef over hersenonderzoek en de invloed daarvan op de maatschappij. Een van de vragen die ter tafel kwam, was of de vrije wil wel bestaat. Verschillende geinterviewden in het rapport brachten dit thema ook ter sprake.

De vrije wil kan beschouwd worden als een van de filosofische fundamenten van het strafrecht: Iemand begaat uit vrije wil een overtreding en wordt daarvoor gestraft. Sommige personen missen door een psychiatrische stoornis of door andere omstandigheden vrije wil en zijn daardoor “niet toerekeningsvatbaar”.

Onze kennis van de hersenen neemt explosief toe doordat er veel mogelijkheden zijn om in werkende hersenen te “kijken” met technieken als functionele MRI (magnetic resonance imaging) en PET (positron emission tomography). Wat wij weten maakt het heel plausibel dat de werking van de hersenen volledig verklaard kan worden uit de complexe samenwerking van de grote hoeveelheid zenuwcellen erin (ongeveer tien miljard). De werking van de zenuwcellen kan volledig verklaard worden uit fysisch-chemische processen, bijvoorbeeld de diffusiebeweging van ionen langs en door de membranen van de zenuwcellen. Het is daarentegen niet goed in te zien hoe er iets als “vrije wil” zou kunnen bestaan dat die bewegingen van die ionen zou kunnen be�nvloeden.

Eigenlijk zijn er maar twee argumenten v��r het bestaan van de vrije wil te verzinnen: 1) het voelt aan alsof ik een vrije wil heb en 2) als wetenschappers iets, bijvoorbeeld vrije wil, niet kunnen aantonen, dan volgt daaruit niet dat het niet bestaat. Beide argumenten zijn niet erg sterk. Dat het aanvoelt alsof ik een vrije wil heb, komt gewoon door de manier waarop de hersenen werken. Iemand waarvan een been geamputeerd is, voelt dat hij dat been nog steeds heeft. Toch zal niemand daaruit concluderen dat het been er werkelijk nog is. Het tweede argument is precies even sterk als het argument dat pastafarians hebben voor het bestaan van het Vliegende Spaghettimonster.

Als de vrije wil niet blijkt te bestaan, dan moet er wellicht anders over het strafrecht gedacht worden. Strikt genomen zouden we door het gebrek aan vrije wil allemaal ontoerekeningsvatbaar zijn geworden. We zijn dan allemaal mechaniekjes, alleen zo complex, dat we het van elkaar en in onszelf niet herkennen. Je kunt wel zeggen dat onze mechaniekjes op beloning en straf werken. Als ergens een flitspaal staat, dan laten de meeste mechaniekjes hun auto op die plaats wat langzamer rijden dan als die paal er niet gestaan zou hebben. Het zou dan ook geen goed idee zijn om de gevangenissen maar open te zetten omdat iedereen ontoerekeningsvatbaar is. Maar het is toch anders als je misdadigers beschouwt als slechte, strafbare individuen dan als mechaniekjes waar iets aan schort. Richard Dawkins vergeleek het denken in termen van straf voor misdaad met het gedrag van John Cleese’s Basil Fawlty, de spreekwoordelijk incompetente pensionhouder die, toen zijn auto eens niet wilde starten, niet onderzocht of er bijvoorbeeld wel benzine in zat, maar de auto eerst waarschuwde en er toen voor straf met een tak deuken in sloeg. De vraag is, of ons systeem met gevangenissen niet meer lijkt op de oplossing van Fawlty dan mogelijk zou zijn. Als we het idee van vrije wil los zouden kunnen laten, dan zouden we misschien op nieuwe, minder moralistische manieren kunnen kijken naar misdaad en het effectief bestrijden ervan. Van gevangenisstraffen bijvoorbeeld, lijkt toch het voornaamste oogmerk de vergelding te zijn. Naast een bescheiden afschrikwerking lijkt het belangrijkste effectieve aspect voor misdaadpreventie te zijn, dat iemand in de tijd dat hij in de gevangenis zit geen gelegenheid heeft om nieuwe misdaden te plegen. Daar staat tegenover dat een gevangenis een goede leerschool is voor criminaliteit en dat, zeker na de bezuinigingen op de reclassering en de overdracht van de uitvoering ervan aan de gemeenten, er voor ex-gedetineerden vaak weinig andere mogelijkheden zijn dan het weer oppakken van hun oude stiel.