Cyberaanvallen oorlogsdaad?

In het NRC van zaterdag 13 juni kwam in het artikel over cyberdefense en cyberwar (cybertsaar) aan de orde of er bij een internetaanval sprake zou zijn van een oorlogsdaad. Dit zou volgens Erik Luiijf het geval zijn als een land fysieke schade oploopt en/of er slachtoffers zijn. Voor de (internationaal) juridische kwalificatie is het echter van belang vast te stellen of er sprake is van een gewapende aanval op een natiestaat. Het gaat dus om de kwalificatie van een gewapende aanval op een staat door een andere staat of een vanwege een staat georganiseerde gewapende aanval. Is er sprake van gewapende agressie dan is het oorlogsrecht van toepassing. Er moet dus sprake zijn van een gewapend conflict. Door het Joegoslaviëtribunaal is hier de volgende uitleg aan gegeven: An armed conflict exists whenever there is a resort to armed force between States or protracted armed violence between governmental authorities and organized armed groups or between such groups within a State.
Het is dus van belang om vast te stellen of de daad van agressie door of vanwege een statelijke autoriteit is georganiseerd en of er van wapens gebruik is gemaakt. De “war on terrorism” tegen al Quaida moet dus worden gezien als een verdediging tegen terrorisme, niet als een oorlogsdaad, zolang geen staat kan worden aangewezen die deze agressie ondersteunt. Verder moet worden vastgesteld of de verschillende vormen van cyberagressie kunnen worden gezien als gewapende agressie. Bewapening kan mijns inziens zeer breed worden beschouwd als de inzet van objecten of methoden gericht op het veroorzaken van destructie, dood en leed. De evolutie van ingezette wapens in conflicten geeft aan dat dit spectrum bijna onbegrensd is. Daarom ben ik van mening dat het gebruik van cyberarms in oorlogsvoering als onderdeel van een gewapende aanval kan worden beschouwd. Het gaat echter om het oogmerk: het gebruik van deze wapens voor militaire doeleinden. Zijn deze wapens mede bedoeld om schade aan de maatschappij en leed voor de burgers te veroorzaken, dan zal er sprake zijn van een oorlogsmisdrijf, zeker als bij de agressorstaat de wetenschap bestaat dat die effecten zullen worden veroorzaakt. Hiervan zal zelfs al sprake kunnen zijn bij het platleggen van energiecentrales of verstoren van algemene communicatieverkeer. Deze acties kunnen immer het vliegverkeer, het weg- en treinverkeer, het functioneren van ziekenhuizen, de waterzuivering, kortom het maatschappelijke verkeer volledig ontwrichten met duizenden doden en gewonden als resultaat.
Tijdens het op 13 maart aan door CLI VU georganiseerde symposium over Cybercrime gaf Professor Nico Keijzer tijdens een lezing aan dat in dit laatste geval geen strijd met het oorlogsrecht kan worden vastgesteld. Dit lijkt mij onjuist . Er is op zijn minst sprake van voorwaardelijke opzet. Een zodanige daad heeft ontegenzeggelijk vergaande neveneffecten en kan nooit worden beschouwd als proportionele ondersteuning van het militaire doel . In het geval van gerichte verstoring van de luchtverdediging van de tegenstander bij een militaire aanval door de Israëlische aanval op Syrië was die grens mijns inziens niet overschreden.
Ook internetagressie van Noord Korea op de leden van de verenigde naties als reactie op de sancties van de verenigde naties mag dus wel degelijk als ongeoorloofde daad van agressie door een staat en daarmee in strijd met het oorlogsrecht worden beschouwd.

Rob van den Hoven van Genderen,

Computer Law Institute,
Vrije Universiteit

Leave a Reply