Inzet kinderpornofilmpjes door politie in strijd tegen kinderporno, aanvaardbaar?

In alle landelijke kranten, waaronder NRC stond vorige week de aankondiging van de Raad van Hoofdcommissarissen dat zij overweegt als bijzondere opsporingsmethode in de strijd tegen kinderporno zelf materiaal aan te bieden. Op de vraag of deze methode al wordt gehanteerd wordt niet ingegaan. In het Verbeterprogramma Kinderporno van de Raad wordt echter al aangegeven dat “al nadrukkelijk wordt geëxperimenteerd”met het gebruik van deze bevoegdheid in het kader van de wet bijzondere opsporingsbevoegdheden (wet BOB) om toegang te krijgen tot besloten netwerken. Is dit wel een toegelaten opsporingsmethode of is hier sprake van uitlokking? Is dit na eerdere pogingen om het filteren van kinderpornosites door ISP’s te verplichten zonder wettelijke grondslag een nieuwe onrechtmatige methode of is dit handelen in dit geval gerechtvaardigd?
Natuurlijk is in de strijd tegen kinderporno veel geoorloofd, er zullen omstandigheden zijn waarin vergaande methoden zijn gerechtvaardigd maar het lijkt me niet de bedoeling om de bevoegdheden uit te breiden tot onrechtmatig handelen door de bewaker van de rechtmatigheid, politie en het openbaar ministerie. In het kader van de wet BOB mag onder voorwaarden gebruik worden gemaakt van infiltratie, pseudokoop en –dienstverlening. Maar de opsporingsambtenaar mag bij infiltratie een persoon niet aanzetten tot andere strafbare feiten dan deze al van plan was: uitlokken mag dus niet. Dit is het zogenaamde Taloncriterium. Bovendien mogen de methoden uitsluitend worden toegepast voor de opsporing en strafrechtelijke afdoening van strafbare feiten. Andere doeleinden, zoals het uitsluitend verbeteren van de informatiepositie van de politie, of het ontmantelen van een criminele organisatie, zonder dat dit leidt tot strafrechtelijke afdoening, vallen hier dus buiten. Het infiltreren in besloten netwerken met als toegangs-fee onsmakelijke hoeveelheden kinderporno zonder duidelijk strafrechtelijk doel gaat volgens mij over het randje. Bovendien werkt justitie op deze wijze mee aan het in het verkeer brengen van groter hoeveelheden “nieuw materiaal”. Met oud en “soft”materiaal vallen ze door de mand. De onverkwikkelijke kwestie met het doorlaten van drugs in het kader van de opsporing ligt nog te vers in het geheugen.
Andere vraag is natuurlijk of deze vergaande methode wel genoeg oplevert. Zoals ook aan de orde tijdens het filterdebat is het de vraag of de delictomschrijving van artikel 240b WvS altijd makkelijk kan worden bewezen, gaat het hier (altijd) om minderjarigen? Pak je op deze manier wel de “hardcore-producenten” of ”slechts” de gebruikers”?. In het programma wordt al opgemerkt dat te grote focus op de downloader al heeft gezorgd voor teveel kinderpornozaken voor de beschikbare capaciteit. Verder wordt er te weinig”doorgerechercheerd zodat geen slachtoffers worden teruggevonden noch producenten en verspreiders worden achterhaald. Het “echte actieve produceren”van strafbaar materiaal wordt te weinig aangepakt met deze methode. De focus van gebruikergerichte aanpak leidt er toe dat de “echte kindermisbruikers” hun gang kunnen blijven gaan.
Het verbeterprogramma geeft de indruk van onvoldoende coördinatie, ontbreken van een strategische beleidsanalyse en het niet altijd weloverwogen nemen van maatregelen zoals het hier besproken aanbod van filmpjes en plaatjes.
Overigens wordt in het zelfde verbeter programma aangegeven dat er in Nederland geen sprake is van grootschalige commerciële verspreiding van kinderporno.
De vraag is dus of het niet tijd wordt dat het politieapparaat en het openbaar ministerie zich bezinnen op een weloverwogen (inter)nationaal geharmoniseerde aanpak van de kinderporno, gericht op de producenten, maar wel zonder hierbij hun bevoegdheden te misbruiken!

Rob van den Hoven van Genderen,
Computer Law Institute,
Vrije Universiteit Amsterdam

Leave a Reply