Archive for maart, 2008

Eerste veroordeling virtuele kinderporno

woensdag, maart 12th, 2008

In verschillende media was vandaag het bericht te lezen dat gisteren, 11 maart 2008, voor het eerst een man voor virtuele kinderporno is veroordeeld. Mij is niet geheel duidelijk of de zaak ruim een maand stil is gehouden, aannemelijker lijkt dat de datering van de uitspraak op 4 februari 2008 (LJN: BC3225, Rechtbank ’s-Hertogenbosch) niet klopt.

Al sinds enkele jaren is virtuele kinderporno strafbaar. In art. 240b Sr is het bestanddeel ‘schijnbaar’ opgenomen, ter uitvoering van de verplichtingen die Nederland is aangegaan middels het Cybercrimeverdrag. De aanwijzing Kinderpornografie van 30 juli 2007 (Stcrt. 2007, 162) geeft als criterium: “realistische, niet van echt te onderscheiden afbeeldingen.” In casu betrof het een filmpje waarin een als 8 jaar overkomend meisje een man bevredigt. De toevoeging “niet van echt te onderscheiden” maakt de bewijslast zwaarder dan op grond van het Cybercrimeverdrag noodzakelijk is, waarin enkel gesproken wordt van “realistic images”.[1] In deze zaak geeft de rechtbank aan

“weliswaar voor volwassenen van echt is te onderscheiden, maar niet voor het gemiddelde kind.”

En vervolgt

“In verband met dat laatste merkt de rechtbank op dat dit naar haar oordeel in het onderhavige geval de criteriumfiguur moet zijn waartegen wordt getoetst, zulks temeer nu de maker van het filmpje blijkens de zo-even weergegeven titel en aankondiging, de cursusachtig aandoende weergave van manuele bevrediging en de vrolijke omlijsting op die doelgroep mikt.”

De vraag is of de Rechtbank in wezen wel veroordeelt voor de virtuele beelden. Ik krijg de indruk dat hier eigenlijk minder de beelden op zich bestraft worden dan hetgeen met die beelden beoogd wordt. In dit geval wil de veroordeelde man kinderen duidelijk maken dat het gewoon/spannend/etc. is om seks te hebben met volwassenen. Hij lokt als het ware de minderjarige uit (niet uitlokking in strafrechtelijk zin, uiteraard).

Stel nu dat een vergelijkbaar filmpje wordt gemaakt door een groep pedofielen die het dan vervolgens in “huiselijke kring” bekijken. Ik zou dan niet voor bestraffing zijn, ze vallen dan nl. verder niemand lastig. Als ze vervolgens het filmpje op Youtube zetten wordt het een ander verhaal. Op zichzelf zou het overigens prachtig zijn als kinderporno zich zou gaan beperken tot de virtuele variant, maar uit de opsporingspraktijk is helaas bekend dat de echte ‘liefhebbers’ enkel genoegen nemen met beelden waarbij sprake is van daadwerkelijk misbruikte minderjarigen.

De uitleg die de Rechtbank uit de bovengenoemde Aanwijzing Kinderpornografie aanhaalt, maakt de waterscheiding zoals hierboven gemaakt overigens mogelijk. Grondslag voor bestraffing is nl.

“Bescherming tegen gedrag dat kan worden gebruikt om kinderen aan te moedigen of te verleiden om deel te nemen aan seksueel gedrag en gedrag dat deel kan gaan uitmaken van een subcultuur die seksueel misbruik van kinderen bevordert.”

Dit in ogenschouw nemend is de vraag of “het van echt te onderscheiden” zo doorslaggevend moet zijn. Veeleer lijkt de context van belang (zo ook hier), hoewel deze niet als zodanig in art. 240b Sr tot uitdrukking komt. Wellicht is het op termijn noodzakelijk andere strafbepalingen in te voeren.



[1] Met dank aan Rik Kaspersen die uiteraard als geen ander de verhouding tussen de verschillende bepalingen kent. Momenteel werken wij mee aan een WODC-rapport inzake Kinderporno en filtering.